140. Ik was bang dat je niet zou blijven

Ik denk dat ik je dit nooit verteld heb, maar ik dacht dus echt dat je niet zou blijven. Jij of iemand anders zou besluiten dat ik het niet waard was om in je leven te mogen blijven. Dat zag ik tenslotte ook voortdurend bij andere donorkinderen wereldwijd gebeuren, waarom zou het bij mij anders zijn?

Nog voor ik je kende, werd er door andere mensen een beeld van jou aan mij opgedrongen. Vast stond dat je me absoluut niet in je leven zou willen. Nog voor ons eerste contact zette ik me dus schrap voor afwijzing. Waarom zou je me willen leren kennen? Ik was toch ‘maar’ een donorkind?

“Daar zit echt niemand op te wachten hoor…”

Nadat ik de eerste mail verstuurd had, wachtte ik met een bang hart, rekeninghoudende met het feit dat je nooit zou antwoorden, of boos zou zijn. Als ik andere mensen moest geloven, had ik geen recht op een antwoord. Ik was toch ‘maar’ een donorkind?

Bij elke nieuwe mail die daarna binnenkwam, dacht ik: ‘Nu komt het, dit is de laatste. Hij heeft zich bedacht…’ Tenslotte had iedereen me zo ingepeperd dat jij je eigen leven had, dat ik daar niets te zoeken had, niets moest verwachten omdat je ‘maar’ de donor geweest was. En ik, ik was toch ‘maar’ een donorkind.

Zelfs nu ik dit neerschrijf springen de tranen me in de ogen. Het heeft me elke keer diep gekwetst zo’n ‘maar’-dingen te horen, want daardoor voelde ik me ook vaak ‘maar’ een donorkind. Minder, met minder rechten, minder gehoord over hoe ík me erbij voel dat ik ‘maar’ de helft van mijn afkomst mocht kennen. Ik heb dat nooit laten blijken, slikte het weg, toen. Nu wil ik iets vertellen over de wellicht goedbedoelde adviezen die mij voor teleurstelling wilden behoeden…

Er was dus – misschien onbewust – een ondertoon bij die ‘maar’ waardoor ik me op donkere dagen stilletjes begon af te vragen of ik het dan inderdaad als mens niet waard was om te leren kennen omdat ik ‘maar’ dat donorkind van 33 jaar geleden ben. In de ogen van anderen werd ik al op voorhand door jou verworpen nog voor ik het je zelf kon vragen. De ondertoon van deze vooronderstelling dat jij me niet zou willen kennen, heeft een verwoestende kracht gehad. Ik voelde me onzichtbaar.

Onzichtbaar omdat wanneer ik uitsprak wat ik voelde, ik steeds het zwijgen werd opgelegd door de vele ‘maren’. Wat ik voelde leek voor anderen niet belangrijk. Was ik dan zelf ook niet belangrijk?

Ik moest op een bepaald moment een keuze maken: onzichtbaar blijven of voor mezelf opkomen. Toen ik toegaf dat jou vinden, voor mij wél belangrijk was, koos ik voor het tweede. Ik zocht mijn vader en ik deed dat voor mijzelf. De keuze die ik daarmee maakte is nooit een keuze tegen iemand anders geweest, maar enkel en alleen een keuze vóór mijn eigen leven. Ik begon mijn eigen leven belangrijk te vinden. Dat was nieuw voor mij.

Ik wilde je zo graag vinden, ik wilde me ‘heel’ voelen, helemaal mens, nooit meer die ‘maar’. Ik ging er voluit voor en toch hield ik uit zelfbescherming – of was het omdat iedereen het me voorspelde?- rekening met een gesloten deur. Velen vroegen zich af waarom ik al die moeite deed om waarschijnlijk toch afgewezen te worden. Waarom bleef ik dan toch zoeken?

Ik wilde het van jou horen, dat wat iedereen al zo stellig leek te weten over jou en mij. De uiteindelijke beslissing lag bij jou en bij jou alleen. Ik kon alleen maar heel oprecht mijn verhaal vertellen en zichtbaar worden. De rest lag in jouw handen.

Het tegenovergestelde van wat iedereen verwachtte gebeurde. Ik mocht je wel kennen. Je was niet misnoegd dat ik je gevonden had. Je begreep mijn vraag. Jij en je vrouw vonden dat ik het recht wél had. Je bleef en ondertussen bewees je in alle vanzelfsprekendheid de anderen het tegendeel. Uitgerekend jij schrapt alle ‘maren’ die mij jarenlang deden vervagen. Uitgerekend jij.

Geef een reactie