136. Wie zoekt die vindt.

Tussen de dag dat ik vernam dat ik donorkind ben en de dag dat ik mijn ‘bijzonder verzoek’ verstuurde, liggen iets meer dan 3000 dagen. Het werd een lange zoektocht waarbij ik meermaals verdwaalde, maar ik vond mijzelf en met een beetje geluk mijn biologische vader.

Vooraleer ik vier jaar geleden echt aan mijn zoektocht kon beginnen, moest ik eerst de confrontatie met mijzelf aangaan. Ik moest toegeven dat het verlangen te weten waar ik vandaan kwam steeds maar sterker werd. De jaren voordien had ik het in een achterkamertje van mijn hoofd proberen begraven, leefde ik volgens de overtuiging van anderen die mij zeiden dat het er toch niet toe deed.

Dat deed het echter wel. Voor mij deed het dat wel en eigenlijk had niemand toen het recht tegen mij het omgekeerde te zeggen. Het heeft kracht gevraagd om mijzelf van de mening van anderen te bevrijden, voor mijn eigen gevoel op te komen en het dan uiteindelijk ook te durven volgen. In die tijd hielp het enorm om met andere donor’kinderen’ in contact te komen en te voelen dat je niet alleen staat en dat er zo veel gelijkenissen zijn tussen onze verhalen en verlangens. Zij begrepen als geen ander waarom zoeken op dat moment voor mij een noodzaak geworden was.

Toen ik meer dan drie jaar geleden ook actief op zoek ging hoorde ik: ‘Dat is toch eigenlijk echt op zoek gaan naar een speld in een hooiberg?’. Velen verklaarden mij gek, zouden als ze in mijn plaats waren hun tijd écht wel anders besteden en drongen opnieuw meningen aan mij op. Dat ik het recht niet had te zoeken, dat hij me niet zou willen kennen, enz. Nu was ik er beter tegen bestand omdat ik ondertussen wist dat ik niet alleen was in mijn zoektocht. Donorkinderen laten overal ter wereld hun stem horen over de problemen waar we tegenaan lopen en de bezorgdheden die we allen delen, vorig jaar zelfs tot in Genève.

Enfin, ik was bij de speld in de hooiberg. Als ik er nu op terugkijk, bestond de hooiberg uiteindelijk uit 43.371 personen verspreid over 20 stambomen, maar de naald làg er wel degelijk in. Het maakte me niet uit hoeveel ‘hooi’ ik moest doorploeteren. Als je maar vastberaden genoeg bent, kan je door DNA- en stamboomonderzoek tegenwoordig de kleinste naald vinden. Het was voor mij een erezaak om zelf te blijven zoeken, want het hielp mij beetje bij beetje de controle over mijn leven terug te winnen. Dit was iets wat ik kon doen, zelf op zoek gaan en het hem ten minste zelf vragen of hij echt ‘niets met me te maken wilde hebben’.

Drie jaar lang checkte ik elke ochtend mijn DNA-matches bij de verschillende databanken. Het was een vast ritueel geworden bij mijn ochtendkoffie. Waren er matches bijgekomen die het onderzoeken waard waren? Als dat het geval was volgden er uren en dagen waarin ik niet van de stambomen weg te trekken was. Ik zag namelijk ook elke dag in de internationale Facebookgroepen dat het kon gebeuren. De vraag was niet óf, maar wanneer ik zou vinden. Maar dat ik het rondom mij zag gebeuren, neemt niet weg dat deze zoektocht mij ook vaak met mijn hoofd tegen een (archief)muur deed belanden waarna vervolgens de hoop me in de schoenen zakte en het opnieuw wachten was tot er een betere match verscheen. Op die momenten hebben de verhalen en de onvoorwaardelijke steun van andere donorkinderen er echt voor gezorgd dat ik het niet opgaf. Zij weten wat het is te moeten wachten op DNA-matches die groot genoeg zijn om te beginnen zoeken, kennen de angst die door je lijf giert als je net een mail naar je biologische vader verstuurd hebt. Zij weten dat de dagen die erna verstrijken, aanvoelen als jaren.

Negen jaar geleden verdween de grond van onder mijn voeten. Ik had de touwtjes van mijn eigen leven niet meer in handen. Ik viel, bleef vallen en zag het leven aan me voorbij suizen. Ik begon te beseffen dat als je valt, er eigenlijk geen toekomst is. Je valt alleen maar.
Het enige wat ik nog kon doen, was zoeken naar een landingsplaats en de touwtjes terug in handen nemen. Of de landing hard of zacht zou zijn was op dat moment zelfs van ondergeschikt belang. Alles is beter dan vallen.

In afwachting van een antwoord zet ik mezelf schrap voor het worst-case scenario, maar ergens hoop ik ook dat zijn hart groot genoeg zal zijn om mijn mail te beantwoorden en dat hij voor mij uit de schaduw wil treden.

Geef een reactie