81. Wie denk je wel dat je bent?

Vrouwen die bij hoog en laag beweren dat het hen “geen bal kan schelen van wie het sperma afkomstig is”, doen mij huiveren. Zij die zó graag een kind van/voor zichzelf willen en misschien eerst geprobeerd hebben het zogenoemde “Plan A” uit te voeren met eigen materiaal, proberen mij nu wijs te maken dat het niet uitmaakt? Serieus?

Als (wens)ouder beweren dat je voor je kind over zulke elementaire zaken kan en mag beslissen, is absurd. In haar of zijn plaats a priori de knoop doorhakken “dat het toch niets uitmaakt waar je vandaan komt, zolang er maar genoeg liefde is”, getuigt van erg veel hoogmoed en pretentie.

het maakt geen bal uit

In Nederland stierf midden april een fertiliteitsarts met een godcomplex waarvan men vermoedt dat hij zijn eigen zaad gebruikte. Hij loog over het profiel van donoren, gebruikte mannen die überhaupt geen donor hadden mogen zijn, hield zich niet aan het maximum, beloofde wel dezelfde donor in gezinnen, maar in de praktijk draaide dat erg anders uit en tja… moet ik nog verdergaan?

Is het dan zo gek dat sommige donorkinderen écht willen weten en de onrust willen temmen? Dit is een van de dingen die ik het moeilijkste vind: anderen die voor mij beslisten dat ik het niet mocht/mag weten, dat ik maar een halve stamboom heb en mijn halfbroers/zussen niet mag kennen, terwijl die misschien kweetniehoe tof zijn?! Wie heeft zoveel macht en beslissingsrecht in míjn leven?

Het feit dat ik verwekt werd in een privépraktijk in het hol van Pluto, bezorgt mij ook een “achterkamertjesgevoel”. Het niet (mogen) weten, zorgt ervoor dat je alle opties openhoudt. In mijn ogen zou het iedereen geweest kunnen zijn: een toevallige voorbijganger, iemand die in geldnood zat, mijn schoonvader, een student geneeskunde, een brandweerman, een pervert, iemand met een gigantisch ego die zoveel mogelijk kinderen op de wereld wilde zetten, een psychopaat of misschien was het wel de fertiliteitsarts zelf?

Als ik deze bedenkingen luidop durf uit te spreken, heeft men vaak de neiging mij te troosten met woorden als: “Maar nee An, ze screenen die wel hoor!” of “Maar seg, daar moet je toch niet mee inzitten/niet aan denken!” Waarop ik automatisch denk aan standaard vragenlijstjes die iedereen naar believen kan invullen. Hoe – zeg het mij! – kan ik niet denken aan iets dat mijn zijn zo bepaald heeft. Hoe kan ik mij niet afvragen wie de man is van wie ik mijn tweede X gekregen heb? Hoe kan ik niet nieuwsgierig zijn naar zijn persoon, zijn beweegredenen, zijn karakter, zijn leven?

Mijn enge gevoel wordt alleen maar versterkt door het feit dat de arts in kwestie nog steeds niet op mijn mail geantwoord heeft. Wat valt er behalve de identiteit van de donor nog meer te verbergen? Waarom zo halsstarrig vasthouden aan oude ideeën en niet open staan voor nieuwe inzichten die ook toenmalig donoren ten goede kunnen komen?

Waarom is het in onze maatschappij sociaal aanvaard dat er een hele groep geen toegang heeft tot afstammingsinformatie? Dit recht (!) wordt nonchalant over boord gegooid van zodra het gaat om het invullen van een wens (!). Want “Ach, wat doet het er toe, zo belangrijk kan het toch niet zijn?”. Als er dan wél kritische vragen gesteld worden over de mogelijke gevolgen, veegt men deze onder de mat, sluit men de ogen. Zorgen voor later? Hoogmoedig zijn zij die beweren dat het kind niets te kort zal komen. De val zal diep zijn. Kinderen onder anonieme noemer verwekken en het doelbewust weghouden van iets wat hen in gronde toebehoort, is onmenselijk en geen enkel voorwendsel maakt het plots wel OK.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *